‘T Stockpaerdt 1890

‘T Stockpaerdt 1890

Scheepstype: tjalk

Bouwwerf: Van Mulder, Vierverlaten

Bouwjaar: 1890

Lengte: 2202 cm

Diepgang : 86 cm

Breedte : 550 cm

Kruiphoogte : 220 cm

Officiële thuishaven : Wijk bij duurstede

Motor : Daf 575

Bouwjaar van de motor : 1978

Vermogen van de motor : 102 PK

ENI-nummer : 21522/02003874

   

De geschiedenis van zeetjalk ’t Stockpaerdt
De geschiedenis van de zeetjalk ’t Stockpaerdt begint in 1890, toen het schip werd gebouwd op de scheepswerf De Koningspoort in Vierverlaten, bij Hoogkerk. De werf stond onder leiding van de Groningse scheepsbouwers Jacob Jans Mulder en zijn zoon Wolter Mulder. Het schip werd gebouwd als een ijzeren Oostzeetjalk, een type vrachtschip dat in de tweede helft van de negentiende eeuw een belangrijke plaats innam in de Nederlandse kust- en binnenvaart. Met een lengte van 22,02 meter en een breedte van ongeveer vijf meter was het schip stevig gebouwd, maar door zijn geringe diepgang ook geschikt voor de ondiepere wateren van Nederland. De tjalk was oorspronkelijk ingericht als zeilend vrachtschip en beschikte over één dek, één mast en een laadruim waarin uiteenlopende goederen konden worden vervoerd.
Bij zijn tewaterlating droeg het schip de naam De Vier Gebroeders. Rond de eeuwwisseling kwam het schip in de vaart en in 1900 werd het officieel gemeten. In de registratie wordt het omschreven als een overdekt ijzeren tjalkschip van ongeveer 111 ton. In 1901 bevond het schip zich in Meppel, waar het bij de werf van Gerrit Johannes van Goor lag. De eigenaar was op dat moment Louwrens Bordewijk uit Meppel. Zoals bij veel tjalken uit deze periode was het schip niet alleen een vervoermiddel, maar het belangrijkste bedrijfsmiddel van de schipper. Het leven aan boord stond volledig in het teken van het vervoeren van lading en het varen onder zeil, waarbij de schipper en zijn gezin of bemanning een groot deel van hun leven op het schip doorbrachten.
In 1919 kreeg het schip een nieuwe eigenaar. Louwrens Bordewijk verkocht De Vier Gebroeders aan Nicolaas Mandemaker uit Zwartsluis. De koopprijs bedroeg 8.900 gulden, een aanzienlijk bedrag voor die tijd. Met de verkoop veranderde ook de naam van het schip in Hoop of Zegen. De koopakte geeft een mooi beeld van het schip zoals het toen als vrachtschip functioneerde. Niet alleen de romp, maar ook de inventaris en de bijbehorende roeiboot maakten deel uit van de verkoop. Het schip was volledig ingericht voor de beroepsvaart en had een laadvermogen van ruim honderdduizend kilogram.
In 1924 veranderde de naam opnieuw. Het schip werd toen De Goede Hoop genoemd en was eigendom van Jan Koelink uit Hoogeveen. Over deze periode is helaas minder bekend. Van de eerste decennia van het schip zijn maar weinig foto’s en persoonlijke documenten bewaard gebleven. Wel blijkt uit de verschillende meetgegevens dat het schip gedurende deze jaren in de beroepsvaart actief bleef. In 1935 en later opnieuw in 1957 werd het geregistreerd onder de naam Hoop op Zegen. De opeenvolgende meetmerken vormen een waardevol spoor door de geschiedenis van het schip. Ze laten zien dat dezelfde ijzeren tjalk die in 1900 nog als De Vier Gebroeders werd geregistreerd, ruim een halve eeuw later nog altijd in de vaart was.
Waarschijnlijk heeft het schip in deze periode vooral vracht vervoerd in de Nederlandse binnenvaart en kustvaart. In de overlevering wordt ook gesproken over het vervoer van hout en over reizen op zee. Zeker is dat de tjalk gebouwd was als Oostzeetjalk en dus berekend was op de kustvaart en de Noord- en Oostzee. Toch is van het dagelijkse leven aan boord tussen 1890 en 1960 maar weinig bekend. Juist daardoor is het des te opmerkelijker dat het schip deze lange periode vrijwel ongeschonden heeft doorstaan.
Het grote keerpunt in de geschiedenis van het schip kwam begin jaren zestig. Rond 1961 kwam de tjalk in handen van S.G. Lampe, beter bekend als Silver Lampe. Het oude vrachtschip verkeerde toen in een staat die een ingrijpende restauratie noodzakelijk maakte. Lampe zag echter mogelijkheden om het schip een geheel nieuwe bestemming te geven. In 1962 werd het onder architectuur van Henk Lunstroo grondig verbouwd. De vroegere vrachtvaarder veranderde daarmee in een luxe salontjalk en kreeg de nieuwe naam ’t Stockpaerdt.
De verbouwing betekende een enorme verandering. Waar vroeger het laadruim centraal had gestaan, kwam nu een comfortabel en rijk ingericht interieur. Er werd een Daf 575 dieselmotor van 102 pk ingebouwd, waardoor het schip niet langer afhankelijk was van wind en zeil om zich voort te bewegen. Tegelijkertijd bleef de karakteristieke vorm van de oude tjalk behouden. Juist de combinatie van de historische ijzeren romp en het nieuwe, luxueuze interieur gaf ’t Stockpaerdt zijn bijzondere karakter.
Ook aan de afwerking werd veel aandacht besteed. Het interieur werd voorzien van fraai houtsnijwerk en decoratieve details die het schip een voornaam en bijna huiselijk karakter gaven. Op het roer verscheen een bronzen paard, passend bij de nieuwe naam ’t Stockpaerdt. De naam verwees daarmee niet alleen naar het schip zelf, maar werd ook onderdeel van de visuele identiteit ervan. De oude werkboot was veranderd in een representatief jacht.
In 1968 werd de nieuwe identiteit van het schip officieel in de registratie vastgelegd. Het kreeg toen het registratienummer R32207N en werd onder de naam ’t Stockpaerdt opgenomen. In 1972 volgden verdere officiële gegevens, waaronder een KNWV-meetbrief. Het schip werd bovendien beschreven in publicaties over ronde en platbodemjachten. Daarmee was de voormalige Oostzeetjalk inmiddels onderdeel geworden van de wereld van de klassieke Nederlandse jachten.
Toch zou ’t Stockpaerdt later opnieuw een werkend schip worden. In 1991 kwam het in handen van Karin Tönnes-Röhrdiek, die het samen met schipper Louis Beintema ging exploiteren als historisch passagiers- en charterschip. Daarmee kreeg het schip opnieuw een commerciële functie, maar ditmaal niet meer voor het vervoeren van goederen. Gasten konden aan boord genieten van het historische karakter van de tjalk en van het Nederlandse waterlandschap. Het schip werd onder andere ingezet op de Loosdrechtse Plassen en de Vecht en later ook voor uiteenlopende evenementen.
In deze periode groeide ’t Stockpaerdt uit tot een bijzonder representatief charterschip. Bedrijven maakten gebruik van het schip voor ontvangsten en relatiebijeenkomsten en ook voor bruiloften, diners en andere feestelijke gelegenheden werd het gehuurd. De combinatie van de authentieke negentiende-eeuwse romp, het historische zeiltuig en het luxe interieur maakte het schip daarvoor bij uitstek geschikt. Zo kreeg de tjalk opnieuw een rol in het openbare leven, ruim honderd jaar nadat zij als vrachtschip in de vaart was gekomen.
De samenwerking tussen Karin Tönnes-Röhrdiek en Louis Beintema duurde tot augustus 2007. Daarna kwam het schip onder de exploitatie van Sjors Chamboné. Ook toen bleef het karakter van de salontjalk grotendeels behouden. De historische uitstraling en het bijzondere interieur vormden immers juist de aantrekkingskracht van het schip. Rond 2013 werd ’t Stockpaerdt nog beschreven als een luxe charterschip in Muiden.
Tegenwoordig is ’t Stockpaerdt opgenomen in het Stamboek van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Daarin staat het geregistreerd als een tjalk met een ijzeren romp, een lengte van 22,02 meter en als bouwjaar 1890. De werf De Koningspoort in Vierverlaten en de scheepsbouwers Jacob Jans en Wolter Mulder worden daarbij als de bouwers vermeld. Het schip draagt het zeilteken TA73. In de huidige stamboekregistratie staat het als niet actief vermeld.
Wanneer men de geschiedenis van ’t Stockpaerdt overziet, valt vooral op hoeveel verschillende levens het schip heeft geleid. Het begon in 1890 als De Vier Gebroeders, een hardwerkende Groningse Oostzeetjalk die vracht vervoerde over de Nederlandse binnenwateren en langs de kust. Vervolgens voer het onder namen als Hoop of Zegen, De Goede Hoop en Hoop op Zegen, terwijl generaties schippers er hun bestaan aan verbonden. In de jaren zestig werd het schip van beroepsvaarder veranderd in een luxe salontjacht en kreeg het de naam ’t Stockpaerdt. Vanaf 1991 begon vervolgens opnieuw een commerciële periode, ditmaal als historisch passagiers- en charterschip.
De ijzeren romp uit 1890 vormt daarbij de verbindende factor tussen al deze hoofdstukken. Meer dan 130 jaar na de bouw vertelt ’t Stockpaerdt daardoor niet alleen het verhaal van één schip, maar ook dat van de Nederlandse scheepvaart zelf. Het schip weerspiegelt de overgang van de negentiende-eeuwse zeilende vrachtvaart naar de gemotoriseerde scheepvaart, de opkomst van het recreatieve varen en uiteindelijk de herwaardering van historische schepen als varend cultureel erfgoed. Juist doordat ’t Stockpaerdt telkens een nieuwe bestemming kreeg zonder zijn oorspronkelijke tjalkvorm volledig te verliezen, is het een bijzonder tastbare herinnering aan de lange geschiedenis van de Nederlandse scheepsbouw en scheepvaart.
De tegenwoordige eigenaren zijn Severine en Eric Morren woonachtig in Odijk. In 2026 is begonnen aan een restauratie van het schip op de Museumwerf Vreeswijk. Plan is om april 2027 het schip weer zeilend te maken.